Leren en instrueren
Leren of niet leren, dat is een kwestie
Niet leren
Wielrennen is een vergevingsgezinde sport. De meeste fouten zijn gelukkig ‘zonder erg’. Maar daar zit ook een nadeel aan: er wordt relatief weinig van geleerd. Omdat het meestal goed afloopt leer je niet je op die punten te verbeteren.
Je schat groepsgenoten soms verkeerd in. Mensen kunnen perfect op een prachtige fiets zitten, hard trappen en zelfs koersen rijden, maar daarmee rijden ze nog niet per se veilig in groepen op de openbare weg. Voordat je bijvoorbeeld bij iemand in het wiel gaat zitten wil je wel weten of hij bij plassen uitwijkt of niet. Kortom: voor het fietsen in groepen hoef je niet veel te leren, maar er valt wel veel te leren. Door in een trainingsgroep te gaan, en ook door te leren van de (bijna) ongelukken en schoonheidsfouten. Gedachten als ‘Pech, die dingen gebeuren nu eenmaal’ kunnen juist zijn, maar het zijn ook denkstoppers: je ontneemt jezelf de mogelijkheid ervan te leren. Het analyseren van een (bijna-)ongeluk geeft vrijwel altijd aan dat er niet één fout is, maar dat er een keten van minder goede acties en reacties was. De interessante vraag is dan niet zozeer ‘Wie is schuldig?’, maar ‘Waar had jij iets kunnen doen om die keten te onderbreken?’ Daar wordt je beter van.
Maak er een gewoonte van om situaties die fietstechnisch beter hadden gekund met elkaar te bespreken.
Onbewust (niet) leren
Veel bewegingen leer je onbewust vanzelf. Hardlopen bijvoorbeeld. Of eigenlijk leert je lijf dat. Daar hoef ‘jij’ niet veel aan te doen. Veel en vaak je loopschoenen aantrekken volstaat. Andere sporten, zoals schaatsen leer je sneller door bewust te leren. Fietsen zit tussen hardlopen en schaatsen in.
In Nederland leren we allemaal onbewust fietsen. Eerst met hulpwieltjes en een handje in de rug. Geen uitleg over gyrospie, maar hup gewoon veel doen. En dan: Kijk eens mama, met zonder handjes!! En dan kan je fietsen.
Bij het fietsen blijken we heel veel uren gestoken te hebben in het rechtuit rijden. In bochten eigenlijk niet. Bijna iedereen houdt zijn benen stil waar je kan doortrappen.
In het onbewuste leren was daar ook geen stimulans toe. Hetzelfde geldt voor het fietsen in de bergen. Je rijdt 6 uur bergop en 1 uur bergaf. Hoeveel minuten daarvan zijn echt afdalen? Heel weinig. De weg, het verkeer is er niet naar. Je mag even lekker uitbollen.
Bij het fietsen in groepen op de openbare weg zijn vaardigheden nodig, die je meestal niet onbewust al hebt geleerd.
Wel (bewust) leren
Individueel kun je veel basisvaardigheden leren. Onder goede omstandigheden oefen je die, zodat je reflexen het juiste doen als het onverwacht wat ingewikkelder wordt.
Zie ook: Basisvaardigheden
De specifieke vaardigheden voor het rijden in groepen kun je goed leren van een ervaren renner, in een trainingsgroep of in wedstrijden op een afgesloten circuit.
In informele groepen moeten we het hebben van leren van elkaar. Daarbij is feedback geven en ontvangen de kunst.
Dat is niet altijd makkelijk, zeker in ‘de hitte van het moment’. Onder Communicatie en samenwerking vind je suggesties daartoe.
Waar moet je op letten als je bewuster gaat leren. Didactiek
Nooit over je grens heen gaan
Volg altijd je eigen risicogevoel. Bijvoorbeeld bij het oefenen van bochten.
Beter steeds in kleine stapjes jezelf verbeteren, dan een keer over de grens heen gaan. Binnen het wielrennen is vaak er een valse trots als je gevallen bent. Je bent dan een echte wielrenner, het behang is eraf. Enzovoorts. Je mag ook wel zonder valpartij trots op jezelf zijn, bijvoorbeeld als na veel oefenen een strakke bocht weet te rijden.:)
En weet dat in een groot prof- of elite-peloton je niet anders kan rijden dan met een behoorlijk risico. Deze rijders zijn echt wel wat handiger dan de meeste van ons. En bovendien in kleinere groepen op de openbare weg kan je toch wel goed van voren rijden, ook als je bepaalde risico’s uit probeert te sluiten.
In stukken hakken en de delen in opbouw achter elkaar oefenen
Bijvoorbeeld het duwen van een mederijder. Neem eerst een hand van het stuur en strek die voor voor je uit. Zonder dat je een zijwaartse beweging maakt. Daarvoor zal je heel subtiel je gewicht wat moeten verplaatsen. Pas dan raak je de te duwen persoon heel zachtjes aan op de onderrug. En wel in het midden. Dan ga je duwen in voorwaartse richting. Pas op dat je de ander niet opzij duwt en daarmee ook jezelf naar de andere kant. Daarvoor moet je dichterbij komen dan je misschien in eerste instantie durft. Rustig opbouwen dus.
Het duwen met een echte afzet is pas een laatste stap in die hele in stukken geknipte oefening. Je ziet hoeveel stukken dat wel niet zijn. Je gaat het snel leren, maar wel als je het netjes opbouwt.
Ander voorbeeld: in en uit de kant wippen. Op de kant van het asfalt slip je het makkelijkst. Met de kans op vallen. Leer de angstreflex om koste wat het kost op het asfalt te blijven ombouwen naar het makkelijk in en uit de kant springen. Geen angst maar spelplezier door trapsgewijs in te oefenen.
Zoek een plek die makkelijk is om te oefenen. Op het asfalt oefen je met het optrekken van je voorwiel.
Ook met het haaks van de weg af rijden, zoals je een tramrails oversteekt. Daarna doe je dat wat schuiner zoals nodig is bij herstelvaardigheden.
Later weet je niet beter, zo gemakkelijk gaat het en kan je er je zelf en anderen mee uit een lastige situatie redden.
Voorzichtig aan
Elleboog aan elleboog rijden gebeurt soms per ongeluk. Soms is het gewoon handig om compact te rijden. Het grote gevaar is dat je dat contact probeert te vermijden en van elkaar wegleunt en juist daardoor de sturen in elkaar haken. Je kan het beste leunen tegen elkaar met elleboog en/of schouders.
Dat oefen je ook weer in stapjes. Je rijdt naast elkaar, voorzichtig steeds dichterbij totdat je met elleboog/schouder tegen elkaar tikt. Tot dan is het nog relatief gemakkelijk. Het moeilijkst is het loskomen. Sommigen hebben de neiging om zich met een stevige duw van de ander af te duwen. Daar mee red je wel jezelf maar maak je het de ander knap lastig. Goed is als je dichter naar elkaar stuurt, waardoor je fiets bijna rechtop staat. En je bijna vanzelf los komt. Eventueel met een minuscuul klein duwtje.
Onbewust oefenen, inslijpen
Via het bewuste oefenen krijg je natuurlijk nog geen routine. Te meer daar sommige natuurlijke reflexen niet de juiste reacties zijn.
Er zijn in een toerrit, in een verplaatsing tussen twee oefeningen altijd mogelijkheden om een beetje extra te oefenen. Bijvoorbeeld bochten rijden. De meeste groepen remmen te veel voor een bocht en de hele groep gaat zo ongeveer stilstaand door een bocht.
Neem wat afstand van je voorgangers dat je nog wat snelheid hebt en kies een goede bochtlijn en goede houding.
Andere voorbeelden zijn door grind rijden of het in en uit de kant wippen.
Ritsen bij een tegenligger is een situatie die je heel makkelijk kan oplossen. Maar als dat niet goed wordt uitgevoerd kan het nog een heel gedoe worden.
Rechtsvoor moet in het gat/ruimte duiken dat er vrijwel altijd aan de rechterkant is, evt via de berm. Zodat hij ruimte creëert voor degene achter/naast. De natuurlijke reflex is ook voor rechtsvoor om te remmen omdat hij een obstakel ziet en niet de kleine ruimte daarnaast. Je kijkt dan naar de ‘muur’ ipv naar het ‘gat’ in de muur. Linksvoor moet zo nodig rechtsvoor coachen met woord en gebaar (duwtje) om de situatie te ontscherpen.
Zie verder de specifieke vaardigheden onder hoofdstuk ‘Rijden in groepen’.

